Algemene Vereniging voor Natuurbescherming voor 's Gravenhage en omstreken
AVN site » Haagwinde » Amerikaanse Vogelkers

Amerikaanse Vogelkers

De laatste ijstijd had niet veel overgelaten van de enorme bossen die ooit Noord-Europa bedekten. Slechts enkele boomsoorten zagen kans te overleven of later terug te keren. Dit kwam vooral door de geologische situatie. Anders dan in Amerika, waar een bergrug van noord naar zuid loopt, liggen onze Alpen en Pyreneeën op een breedtegraad. Deze vormden een onneembare hindernis voor planten en bomen om tijdig naar het warmere zuiden te migreren en later terug te komen. In Amerika kon dat wel en zo vinden we daar een grote hoeveelheid soorten waarvan er een aantal voorheen ook hier voorkwam. In Amerika hadden ze tijdens het kouder wordende klimaat echter tijdig warmere streken kunnen bereiken en vonden ze later ook weer de weg terug. (KLIK HIER voor PDF pagina)
Vanaf de zeventiende eeuw ontstond er behoefte aan meer variatie in de Europese bossen. Mede door de toenemende bevolking  kwam er ook meer vraag naar hout. Om hier aan te voldoen werd in andere streken naar boomsoorten gezocht die onder dezelfde klimatologische omstandigheden leefden, snel groeiden en goed hout leverden. Zo werden uit Amerika onder andere de Douglas (Pseudotsuga) en de Amerikaanse eik (Quercus rubra) gehaald en op grote schaal geïmporteerd voor houtproductie. De douglasspar doet het hier zo goed, dat hij momenteel zelfs als Nederlandse boom te boek staat.

Een bos als leefgemeenschap
Als een bos lang onaangeroerd blijft, ontstaat er een soort stabiele leefgemeenschap van bomen, planten, paddenstoelen, schimmels en ook dieren die van elkaar afhankelijk zijn en samen dat bos in stand houden. Recent verschenen daarover twee boeken te weten ‘Plantaardig’ van Th. C. W. Oudemans en ‘Het verborgen leven van bomen’ van Peter Wohlleben. Hierin wordt dat ecologische bossysteem duidelijk omschreven.
Begin vorige eeuw was daarover echter nog weinig bekend. Het kweken van bomen werd in die tijd gezien als een soort akkerbouw. Men beperkte zich tot bomen van één soort, die keurig op rijtjes werden geplant.  Als ze oogstrijp waren, werden ze gekapt en bleef het kale land over. Dit werd weer ingeplant terwijl het aanliggende perceel  een kapbeurt kreeg. Deze zeer onnatuurlijke situatie leidde nogal eens tot ziekten en plagen met de nodige schade tot gevolg.


De Amerikaans vogelkers

Ten einde het aanzien en de kwaliteit van de nog bestaande bossen te verbeteren werd in de jaren twintig van de vorige eeuw op grote schaal de Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina)  aangeplant.
Er bestaat ook een inheemse vogelkers (Prunus padus) maar zijn Amerikaanse broertje groeit iets makkelijker op voedselarme zure bosbodems en heeft minder licht nodig. Aanvankelijk leek de aanplant van de serotina een heel goede greep. Vooral zijn uitbundige bloei in het voorjaar was een lust voor het oog. De kleine donkere kersjes worden graag door vogels gegeten. En de plant is weinig gevoelig voor ziekten of plagen. Kortom een ideale struik/boom om variatie te brengen in de saaie productiebossen.

Woekeraar
De serotina zaaide zichzelf echter ook gemakkelijk uit. Daarbij speelden in de jaren  zestig de voortdurend veranderende methodes bij bos- en landschapsbeheer hem ook nog in de kaart en explodeerde de groei enorm. De Prunus serotina werd van gewilde plant opeens als lastige woekeraar gezien. Veel bosbeheerders besloten dat hij zelfs uitgeroeid moest worden.
Om dat te bereiken werd van alles geprobeerd van zwaar gif tot voortdurend afzagen of intensief laten begrazen. Hele kolonnes vrijwilligers hebben zich de afgelopen decennia beziggehouden met het bestrijden van de struik. Het was vaak onbegonnen werk. Niets werkt afdoende. De Amerikaanse vogelkers verspreidde zich over het hele land.
 
Tijd om na te denken
In het heetst van de uitroeistrijd had men aan de plant ook wel erg veel slechte eigenschappen toebedacht. Zo zou hij niet in het ecologisch systeem passen, autochtone planten en bomen verdrijven, houtteelt vertragen et cetera. Hij kreeg de schuld van veel verkeerd bosbeheer. Bewezen was er echter weinig en blijkbaar hadden bosbeheerders elkaar soms maar een beetje nagepraat.
Inmiddels was men anders gaan denken over de productiebossen. In plaats van dennenbossen met één boomsoort gingen bosbeheerders over tot de aanplant van gemengd bos met eiken, beuken, berken, lindes, tamme kastanjes, hulst, taxus etc. Ook een enkele buitenlandse boomsoort als de Robinia pseudoacacia deed zijn intrede en naaldbomen als lariks en douglas kregen een plekje in het gemengde bos.
In de overgang naar dat nieuwe beheer bleek de Amerikaanse vogelkers wel degelijk functioneel te zijn, want zo’n bos vraagt om pioniers en ook onderbegroeiing. Daarbij bleek zijn glanzende blad goed verteerbaar in de strooisellaag en leverden de vruchten voedsel aan verschillende diersoorten. Last but not least ontpopte hij zich als waardplant voor een aantal zeldzame insecten. Kortom, de serotina lijkt langzaam zijn plaats in het Europese ecosysteem te veroveren.   

Boomvorm
We kennen de Amerikaanse vogelkers voornamelijk als struik. Hij kan echter wel degelijk tot een flinke boom uitgroeien. Reeds in de 17e eeuw was die in Europa bekend. Hij leverde prachtig hout dat in die tijd werd geprezen. Wanneer een boom echter niet snel groeit is hij als houtproducent niet zo belangrijk. Daardoor raakte hij blijkbaar uit de mode. Misschien zien we hem als gewone bosboom nog wel eens terug want ons natuurbeleid verandert nog steeds en wel zo vaak dat de natuur het niet bij kan houden.