Algemene Vereniging voor Natuurbescherming voor 's Gravenhage en omstreken
AVN site » Haagwinde » De appelboom (Malus)

De appelboom (Malus)

“Snoep verstandig, eet een appel”. Een slogan uit de vorige eeuw, maar nog altijd van belang. Misschien is de appel wel het meest bekende eetbare fruit.

Appel is een oude naam voor vrucht. Zo spreek je ook van aardappel, granaatappel en zelfs van doornappel. Vruchten die niets met de ons bekende appel te maken hebben. Zeker de laatste niet want dat is een zeer giftige vrucht van een plant uit de nachtschadefamilie.  Ook de Latijnse benaming Malus  komt van malum dat (boom)vrucht betekent.

De wilde inheemse soort
De ons bekende eetbare appels zijn kweekproducten. Minder bekend zijn de sierappels in onze parken die in het voorjaar prachtig bloeien. Nog minder weten we van de oorspronkelijk in de West-Europese natuur voorkomende wilde soort de Malus sylvestris. Hiervan zijn  er mogelijk een paar bewaard gebleven en soms denk je er zelfs een te vinden, maar pas op! Als je in een bosrand een appelboompje aantreft, is dat meestal een nakomeling van een gekweekte soort uit een weggegooid klokhuis. De echte wilde appelboom is zeer zeldzaam. Hij komt overigens nog wel betrekkelijk veel voor in Zuid-Frankrijk.  Van de appeltjes wordt de bekende drank ‘Calvados’ gestookt. Een voortreffelijk aperitiefje overigens!
De appelboom wordt botanisch ingedeeld bij de Rosaceae, de rozenfamilie. Die familie is heel groot en voor het gemak heeft men een aparte rangorde bedacht: de Malaceae (appelachtigen). Hiertoe behoren o.a. de meidoorn, de lijsterbes en ook het krentenboompje. De vruchtjes daarvan hebben dezelfde structuur als de appel. Je spreekt daarom van schijnbessen.
 
Bloeiwijze en vruchten
De bloeitijd van de appel is in april en mei. Appelbomen zijn éénhuizig, ze hebben volledige, tweeslachtige bloemen bestaande uit rossige kelkblaadjes, vijf bijna witte bloemblaadjes, een stamper en opvallend veel meeldraden. De bloemen zitten in bolvormige tuiltjes op een kransje van boomblaadjes die net zijn ontloken. Hieraan is in de parken de sierappel gedurende die periode gemakkelijk te herkennen. Bestuiving vindt plaats door insecten. Merkwaardig is daarbij de steriliteit voor stuifmeel van de eigen boom. Voor bevruchting zullen er dus altijd meer bomen bij elkaar moeten staan. In de natuur worden de zaden verspreid door zoogdieren en vogels.
Het klokhuis is de eigenlijke zaaddoos die de pitjes bevat. Het is omgeven door vruchtvlees. Bij de cultuurappel kan dat veel zijn en verrukkelijk smaken. Bij de wilde appel is er veel minder vruchtvlees, dat heel zuur smaakt.

Sierappelbomen
De laatste decennia  zijn er in onze parken veel sierappels geplant. We kennen hier o.a. de Malus toringo  en de Malus baccata (besappel) in Engeland bekend als de ‘Streetparade’. De laatst doet het vooral goed als straatbeplanting omdat hij tegen veel kwade invloeden bestand is. Hij komt oorspronkelijk uit China en werd al in 1784 door reizigers meegenomen. Baccata betekent bes en de kleine vlezige vruchtjes lijken daar ook veel op. In de maanden april en mei bloeien de sierappels uitbundig en zijn een weelde voor onze parken. Zeker ook omdat er vaak bijzondere groeivormen te bewonderen zijn.

Malus domestica
Dit was tot voor kort de algemene naam voor onze consumptieappels. Daarbij werd er van uitgegaan dat die waren ontstaan door hybridisatie van een groot aantal appelsoorten. Bij recent genetisch onderzoek (2007) is dat weerlegd en daarmee is ook de naam Malus domestica in onbruik geraakt. Een wilde appelsoort met tamelijk grote vruchten die voorkomt in China en Kazachstan bleek de voorouder te zijn van de vele appelsoorten die we tegenwoordig kennen. Uiteraard hebben de kwekers die soorten inmiddels wel met elkaar gemengd tot de huidige rassen. Het aantal daarvan lijkt welhaast onuitputtelijk. Naar schatting is dat rond de 7500. Uit archeologische vondsten is gebleken dat de appel al duizenden jaren in cultuur is. Al heel lang geleden wist men de vruchten lang te bewaren in ruimtes die net even boven het vriespunt werden gehouden. Zo konden ze lange tijd tot voedsel dienen. Onze appels werden voor het eerst vermeld in 328 voor Christus. Alexander de Grote zou ze op zijn veldtochten in Kazachstan hebben gevonden en meegenomen naar Europa.

Het hout
Hout van de appelboom is zeer gewild voor draaiwerk, gereedschap, kleine meubelen en houtsnijwerk. Het heeft een fijne draad, is hard en mooi getekend. De bruinrode kleur van het kernhout met een soms paarsblauwe gloed contrasteert sterk met het rozige wit van het spinthout. Daarmee zijn leuke effecten te bereiken.

Symboliek
De appel heeft vaak een symbolische betekenis en komt in veel mythologieën voor. In de Germaanse werden de vruchten geofferd aan de goden teneinde de eeuwige jeugd te verkrijgen. In de Griekse was hij symbool voor vruchtbaarheid. In het verre verleden gooiden jongens een appel naar een meisje om hun liefde te betuigen. De Griekse mythologie vermeldt ook de ‘Twistappel’ op de bruiloft van Peleus en Thesis. En in de Bijbel, in het boek Genesis, treffen we de verboden appel waar Adam en Eva van aten. Daarin wordt hij vermeld als de boom der kennis van goed en kwaad. Het ontstaan van de adamsappel bij een man verwijst naar het stukje appel dat bij Adam in de keel was blijven steken. Gelukkig hebben wij nog wel een appeltje voor de dorst.